Wie dwepen er zoal met Edgar Allan Poe? Waar komt hun liefde voor zijn werk vandaan? En van welk verhaal of gedicht klopt hun hart het snelst? In de geheel nieuwe serie ‘Het rendez-vous’ worden een aantal terugkerende vragen gesteld aan een Poe-fan. In deze negende aflevering is het woord aan Jan Vander Laenen.

Als er iemand een talenknobbel heeft dan is het wel Jan Vander Laenen. Deze te Heist-op-den-berg geboren en in het centrum van Brussel woonachtige autodidact schudt Franse en Italiaanse vertalingen uit de losse pols, maar staat ook heel goed zijn mannetje in andere talen. Behalve enorm taalgevoelig is hij helemaal thuis in de wereld van de kunst. Zo behaalde hij zijn diploma met de thesis “Antieke thematiek in het oeuvre van Eugène Delacroix” én heeft hij de nodige werkervaring als gids in tal van Brusselse musea, waaronder het Antoine-Wiertzmuseum (bij Poe-insiders goed bekend als het thuishonk van het indrukwekkende olieverfdoek ‘De voortijdige begrafenis’). Nog onvermeld zijn de vele publicaties die Vander Laenen op zijn naam heeft staan, van proza en e-books tot theater en scenario’s. Hij wordt dan ook geregeld geboekt voor lezingen. Daarbij is hij lid van de Horror Writers Association en de Poe Studies Association. Het gevolg laat zich niet lang raden: zijn hart klopt als een wilde als de naam Poe valt. Tijd om hem een aantal vragen te stellen over een van zijn grootste voorbeelden.

“Poe koppelt een ongebreidelde fantasie aan een ijzeren logica, waardoor zijn verhalen onuitwisbaar blijven.”

Hoe ben je voor het eerst in aanraking gekomen met Edgar Allan Poe?

“Ik herinner me die dag nog erg goed, het was de hittegolf van 1976, ik was zestien en liep school aan het Sint-Michielscollege te Brasschaat. Ik was altijd al gefascineerd geweest door wat men als ‘macaber’ of ‘romantisch’ kan definiëren, zo had ik toen al de meest gruwelijke sprookjes van Andersen (‘De rode schoentjes’ waardoor men Karens voeten dient af te hakken) en de gebroeders Grimm gelezen, en ‘De kleine Johannes’ van Frederik van Eeden met die grafwandeling waarin Johannes zijn eigen verse lijk in een kist ziet liggen – het blijft nog steeds mijn lievelingswerk in de Nederlandse taal…

En dan is Poe op de proppen gekomen: pater Raeymaekers vertelde ons in de les Nederlands over de Romantiek en las toen ‘Het vat Amontillado’ voor, erbij preciserend hoe gruwelijk het wel was dat Montresor de angstkreten van diens ingemetselde vijand Fortunato probeerde te overstemmen met zijn eigen sarcastische gekrijs.

Diezelfde avond in de studiezaal van het internaat schoof medeleerling Fons Van den Maegdenbergh me een pocketeditie van de beste verhalen van Edgar Allan Poe toe: ik ben ‘De zwarte kat’ beginnen lezen en bij de ontknoping stonden mijn tienerharen gewoon recht van de schrik.

Sindsdien heeft Poe me nooit meer verlaten, eerst in het Nederlands, en rond mijn twintigste ben ik een eerste biografie van hem beginnen lezen in het Frans en heb zo de versies van Charles Baudelaire ontdekt.

In 2008 is de bal verder aan het rollen gegaan. Ik schrijf lukraak een eerste paper over Poe waarin ik hem ervan verdenk homoseksueel te zijn geweest, stuur het op naar de Poe Studies Association, en mag deelnemen aan de ‘bicentenaire’ van de auteur in Philadelphia het jaar erop.”

Wat vind je het meest fascinerend aan hem?

“Vele theorieën omtrent creativiteit beweren dat een wezenlijk deel ervan ligt in het durven te associëren en samenbrengen van de meest ongewone combinaties, en daarin is Poe dé grootmeester: in vele van zijn verhalen leidt hij de lezer om de tuin, onder andere met de techniek van ‘the unreliable narrator’, om hem dan steeds weer te verbazen met de uiteindelijke ontknoping. Hij koppelt met andere woorden een ongebreidelde fantasie aan een ijzeren logica, waardoor deze verhalen onuitwisbaar blijven.

Op een meer persoonlijk niveau meen ik gewoon ‘voeling’ met hem te hebben, wegens mijn interesse in de Romantiek en het feit dat ik vermoed dat zijn hele oeuvre welhaast beschouwd kan worden als een pathetische manier om zijn twijfelachtige seksualiteit op de meest gruwelijke manier van hem af te schrijven.

En dan stond hij natuurlijk bekend als de ‘tomahawk man’, die tot mijn genoegen alle traditionele literatuur aan zijn laars lapte en gewoon zijn innerlijke stem heeft gevolgd. Geen genade dus voor al die schrijvers met meer ego dan talent.”

Welk van zijn verhalen of gedichten is volgens jou het beste en welk het minst, en waarom?

“Ik hou van zijn werk als geheel, hoewel ik misschien wel niet erg onder de indruk was van zijn ‘Arthur Gordon Pym’: Poe was klaarblijkelijk meer thuis in het genre van het kortverhaal, dat hij trouwens theoretisch een grondige onderbouw heeft verleend.

En dan heb ik natuurlijk ook al zijn gedichten gelezen, maar mede door het feit dat het Engels na het Nederlands, Frans en Italiaans slechts mijn vierde taal is, denk ik niet in staat te zijn er alle finesses ten volle van te kunnen appreciëren. Wat niet wegneemt dat zijn gedicht ‘Alone’ hartverscheurend is.”

Stel je was Poe in zijn tijd tegengekomen. Welke vraag zou je hem als eerste hebben gesteld, of welk onderwerp zou je als eerste bij hem hebben aangesneden?

“Misschien zou ik wel met een bocht om hem heenlopen, en zeker tijdens zijn dronken braspartijen. Van intellectuele mannen moest hij niet veel hebben, de gedachte dat iemand een superieure geest aan die van hem kon hebben vond hij namelijk onverdraaglijk, en ik meen dan ook dat hij akkoord zou zijn geweest met de uitspraak van Madame de Merteuil uit de film ‘Dangerous Liaisons’: “Most intellectuals are intensely stupid”.

Blijft natuurlijk de vraag of hij niet heimelijk naar meer intieme, vleselijke contacten snakte met de meer volkse mannen tijdens zijn kroegtochten, ik denk hier voornamelijk aan matrozen en marginale figuren.

Doch goed, wetend wat ik nu over hem weet, zou ik hem misschien durven te vragen hoe hij zich de opinie van latere generaties over hem voorstelde. Hij wilde steeds als een estheet en poëet (Poe-t) herinnerd worden, had hij zich ooit kunnen inbeelden dat hij thans tot één van de grote cultfiguren van het horrorgenre zou zijn uitgegroeid?”